Hoeveel aanzanding levert een nevengeul op?

De aanleg van een nevengeul creëert een extra habitat voor het leven in de rivier. Maar zo’n nevengeul zorgt er ook voor dat de stroming in de vaargeul vertraagt. Het verwachte gevolg: aanzanding en mogelijke hinder voor de scheepvaart. Maar treedt dat effect wel altijd op? En in welke mate? Pepijn van Denderen, onderzoeker bij de Universiteit Twente, ontwikkelde een onderzoeksmethode om hier antwoord op te geven.

Een nevengeul geeft de rivier meer ruimte en kan zo bijdragen aan hoogwaterveiligheid. Daarnaast vormt een nevengeul een extra habitat in de rivier voor vissen en andere soorten. Vanwege dat laatste is de nevengeul een populaire ingreep bij de afdeling ecologie van Rijkswaterstaat Oost-Nederland (RWS ON). Bij de scheepvaart is het enthousiasme een stuk kleiner, want een nevengeul haalt de snelheid uit de hoofdstroom, wat zorgt voor aanzanding van de rivierbodem. De vaargeul wordt daardoor lokaal ondieper, wat schepen kan hinderen.

Kennisleemte

De realisatie van een nevengeul mag de rivier niet zodanig veranderen dat dit hinder oplevert voor andere partijen, zo stelt de Kaderrichtlijn Water. Rijkswaterstaat houdt daarom bij het maken van plannen rekening met mogelijke aanzanding. ‘We kunnen vooraf berekenen hoeveel aanzanding een nevengeul veroorzaakt. Maar of deze effecten daadwerkelijk ook optreden als de geul er is, konden we nog niet vaststellen’, vertelt Emiel Kater, adviseur rivierkunde bij RWS ON.

Luc Jans, adviseur ecologie en collega van Emiel bij de afdeling netwerkontwikkeling en visie, signaleerde de kennisleemte. De vraag ‘kunnen we achterhalen of aanzanding inderdaad optreedt, en in welke mate?’ kwam via het Platform Rivierkennis terecht bij Pepijn van Denderen, onderzoeker bij Marine and Fluvial Systems Department van de Universiteit Twente.

Ruis in de data weghalen

Hoe is Pepijn te werk gegaan? ‘Sinds 2005 zijn elke twee weken metingen gedaan van de bodemhoogte over de gehele lengte van de Waal. Er was dus een flinke dataset beschikbaar. Maar de crux was: hoe halen we de ruis uit de data?’ De variatie in de bodemhoogte wordt immers niet alleen bepaald door nevengeulen, maar ook door factoren als bodemerosie, plaatsvaste vormen bij onder andere kribben en zich verplaatsende duinen op de rivierbodem. Hoe achterhaal je wat de netto invloed van de aanzanding door nevengeulen op de bodemhoogte is? Hiervoor heeft Pepijn een methode ontwikkeld. ‘Met deze methode kunnen we verschillende ‘golven’ onderscheiden in de bodemhoogte. De wijzigingen als gevolg van bodemerosie vinden bijvoorbeeld plaats over de gehele lengte van de rivierarm, en gaan heel geleidelijk. De veranderingen door aanzanding vinden alleen plaats ter hoogte van de nevengeul, en die treden op in een korte tijdspanne, wat een kortere ‘golflengte’ oplevert.’

Resultaten

Pepijn bracht de verschillende ‘golven’ in de bodemhoogtevariatie in kaart, en wist zo de variatie door nevengeulen te onderscheiden van die door andere oorzaken. Zijn conclusies? ‘Er treedt inderdaad aanzanding op bij nevengeulen, in de door Rijkswaterstaat voorspelde mate.’ Maar de aanzanding vormt geen constant laagje, omdat de rivierbodem steeds in beweging is: bij 10 centimeter aanzanding kan de bodemhoogte lokaal zo’n 70 centimeter hoger zijn.
Emiel Kater reageert: ‘We zijn natuurlijk niet blij met die aanzanding, maar wel met de bevestiging dat onze rekenmethodiek aansluit bij wat we in de praktijk zien. Dit helpt bij de belangenafweging die voorafgaat aan de keuze voor of tegen een nevengeul. Ook kunnen we nu beter uitleggen hoe de aanzanding werkt.’ De methode van Pepijn komt daarnaast nog van pas in andere studies. Emiel: ‘De techniek is toepasbaar bij alle onderzoeken naar grootschalige bodemvariatie.’

Contact

Wil je meer weten over het onderzoek en/of de methodiek van Pepijn van Denderen? Je kunt contact met hem opnemen via r.p.vandenderen@utwente.nl.